|
|
|
||||||||||
Stories
Verhalen
|
De IJskoningin |
|
♫
Eens,
lang geleden, leefde er een godin die van niets ter wereld zoveel hield
als van alles dat leefde. Zij schiep erg veel vreugde uit het helpen van
alle levende wezens, waar en wanneer zij maar kon. Met elk blij gezicht
groeide haar liefde en elk geluksgevoel versterkte haar krachten om goed
te doen.
Maar op een dag waagde zij het om de
slachtoffers van een kwade heks te helpen. De boze heks had een witte
heks en haar geliefde uit jaloezie in bomen omgetoverd. Maar deze bomen
stonden ver uiteen en volgens de spreuk zouden de twee geliefden elkaar
pas weer in de armen kunnen sluiten als hun takken elkaar raakten. De
godin had hiermee geholpen, door hun takken snel naar elkaar toe te
laten groeien en de geliefden keerden hierdoor weer terug naar hun
menselijke gedaante.
En met een ijselijke heksenlach verdween
de heks in het niets.
♫ Van binnen huilend en van buiten zonder emotie vluchtte ze verder en verder, onderweg iedereen in ijs veranderend. Ze vluchtte helemaal naar Antarctica, waar ze de bevolking angst inboezemde. Voor het slapengaan werden kinderen op het hart gedrukt om braaf te zijn en er niet alleen op uit te gaan, anders zou de IJskoningin ze in een blok ijs veranderen. Vanaf dat moment werd de Godin van het Leven dus IJskoningin genoemd en kon ze alles dat ze lief had alleen nog maar pijn doen. Uit verdriet zond ze hagelbuien, ijswinden en sneeuwstormen over de vlaktes. Zo werd het koudste punt van de aarde een nog koudere plaats. Door deze razernijen hield de IJskoningin iedereen op een afstand en zo leefde ze vele, vele jaren volledig alleen.
Tot op een dag, toen ze op bed haar leven
lag te overdenken, een klein jongetje haar ijspaleis binnen trad. De
ijskoningin merkte hem niet op. Het kleine jongetje was uit de hemel
gezonden om haar te helpen. Alleen had niemand hem verteld wat hij
precies moest doen. Braaf begon hij maar het paleis te soppen en te
boenen, want misschien had deze mevrouw wel hulp met het huishouden
nodig. De IJskoningin merkte hem nog steeds niet op. Wel viel het haar
op dat haar paleis ineens zo blinkte en omdat het werk met heel veel
liefde gedaan was, voelde ze een kleine tinteling in haar koude hart.
Pas na lang zoeken vond ze hem, hij zat
aan een tafeltje een warme wollen trui te maken. De IJskoningin vroeg
hem wat hij aan het doen was. Het jongetje antwoordde haar dat hij een
trui maakte voor haar, omdat ze het altijd zo koud had. Ze vroeg hem of
hij haar steeds geholpen had en hij vertelde haar waar hij vandaan kwam
en dat hij hier was om haar te helpen. De IJskoningin pakte toen de
trui aan van het jongetje en omdat het met zoveel liefde gemaakt was,
hoorden ze samen haar ijshart breken. Op datzelfde moment kreeg ze weer kleur, haar haren werden blond en de ijskroon op haar hoofd werd weer een bladerkrans. Haar nauwsluitende jurk, die alle liefde uit haar moest persen, werd weer een soepel roze gewaad. Haar scepter veranderde in een toverbloem en haar hart klopte weer als vanouds. Het kleine jongetje dat onvoorwaardelijk van haar hield werd teruggeroepen naar de hemel,maar de godin wilde haar nieuwe vriendje niet kwijt. Dus zorgde ze ervoor dat hij kon blijven, maar omdat het jongetje nog niet klaar was voor een nieuw mensenleven, werd hij een vogeltje, zodat hij altijd naar haar terug kon vliegen. Het vogeltje en de godin weken nooit meer van elkaars zijde en op een gegeven moment wilde het vogeltje geen mens meer worden, want ze hadden het veel te goed samen.
♫ |
| Assepoesters Pechdag |
|
Hij besloot haar een lesje te gaan leren en haar eraan te herinneren dat hij van aar hield omdat ze zo’n braaf en vlijtig meisje was en haar goedheid haar schoonheid was. Op een zekere dag had hij alle dienaren in het paleis vrij gegeven, zonder dat Assepoester het wist. Toen zij ’s ochtends wakker werd was er niemand die voor haar de gordijnen opendeed. Maar omdat ze zo lui was, liep ze gewoon in het donker naar haar wasbasin. Echter, omdat ze helemaal niets zag in het donker, struikelde ze over haar bedlinnen, die niemand voor haar netjes op het bed had gelegd. Boos klauterde ze overeind om naar de deur te lopen, waar ze iemand van de bediening wilde roepen. Helaas botste ze tegen de kastdeur, die ze de avond ervoor zoals gewoonlijk open had laten staan en die ’s ochtends altijd netjes voor haar dicht gedaan werd. Ze stootte haar hoofd er hard tegenen dus liep ze huilend de gang op. Ze riep en riep, maar niemand kwam om haar te helpen. Onderwijl zich afvragend hoe dit nu kon, ging ze zichzelf maar wassen. Ze wilde een lekker warm bad, maar er was niemand diede emmers water kwam aandragen. Dus ging Assepoester maar water koken en in haar bad werpen. Toen ze het bad gevuld had, liet ze de emmers overal op de vloer liggen en ze ging zich lekker wassen. Op een gegeven moment was ze klaar en ze wilde zich af gaan drogen. Ze stapte uit het bad en pardoes met haar voet in een van de emmers. Ze struikelde en kon zich maar net staande houden door zich aan een handdoek van het rek vast te klampen. Deze scheurde daarop finaal in tweeën en nu moest ze zich met twee halve handdoeken afdrogen. Eenmaal klaar liep ze terug naar haar slaapvertrekken om zich aan te kleden. Ze haalde van alles uit de kast, maar aangezien niets haar op dat moment zinde, vlogen de kledingstukken in het rond door de kamer. Uiteindelijk vond ze een jurk die ze wel wou dragen en ze trok deze dan ook aan. Darna wilde ze zich op gaan maken. Net toen ze met haar lippen verven bezig was, schoot ze uit met haar penseel, waardoor ze schrok en haar potje met lipkleur op de grond viel. Deze liet ze natuurlijk gewoon liggen. Toen ze opstond om een doekje te halen, zodat ze haar gezicht kon fatsoeneren, stapte ze op het potje en liep de verfdoor al haar kleren. Huilend zakte ze op de grond en ze zat te jammeren dat het niet eerlijk was. Snikkend riep ze om haar petemoei. ‘Wat is er kindje?’ zei zij. ‘Oh petemoei, niets zit me mee vandaag, mijn man is weg en alle bediening is spoorloos. Alles gaat mis en helemaal niemand ruimt het voor me op.’ ‘Kindje, hier kan ik je niet mee helpen, want hier valt een wijze les mee te leren, maar ik kna je wel wijze raad geven: ruim alles netjes achter je op en je zult zien dat je pech verdwijnt als sneeuw voor de zon.’ En toen verdween ze weer. Assepoester zat nog een tijdje op de vloer, temidden van de chaos, te overdenken wat haar petemoei zei. Met grote tegenzin begon ze dan toch maar met opruimen. Ze zette alles netjes op zijn plaats, schrobde en boende alles, net zolang tot alles weer spik en span was. In de avond kwam de koning weer thuis en hij zag zijn vrouw, haar haar in de war, lippenverf over haar gezicht, een gescheurde handdoek in haar handen, vieze handen, een bult op haar voorhoofd en een blauwe plek op haar knie. Maar een schoon en net paleis en een grote, voldane glimlach op haar gezicht. Ze vertelde van haar vreselijke pechdag en hij vertelde op zijn beurt over zijn poets. Eenmaal uitgepraat gingen ze gerust op bed liggen. De vlgende morgen was de hofhuishouding er weer en alles was weer normaal, echter, assepoester ruimde nu alles netjes op waar het hoorde.
En ze leefden nog
‘Happily Ever After?!’ |
| De zusjes van de Kleine Zeemeermin |
|
Op een dag kon ook Triton het niet meer aan en hij gaf zijn dochters toestemming om te gaan zoeken naar een oplossing. Maar binnen een jaar moesten ze dan alle diepten en holtes in de oceanen gezien hebben en de betovering kunnen verbreken… De zusjes waren buiten zichzelf van blijdschap en gingen allen tezamen op zoek. Ze vroegen elke vis en elk zeedier of ze een heks wisten die machtig genoeg was om de toverspreuk op te heffen. Niemand had echter gehoord van een heks die machtiger was dan de zeeheks die het kleine zeemeerminnetje betoverd had. Ze zochten in de diepste diepten en de donkerste holtes. Na 340 dagen over de hele onderwaterwereld gezocht te hebben, vonden ze een wonderlijke heks. Van boven was zij menselijk, maar zij had de prachtigste vinnen op haar rug, het leken wel vleugels in alle kleuren, ze sprankelden echt. Maar de gemene zeeheks had veel kwaadaardige bondgenoten en een van hen had de zusjes al die tijd gevolgd. Nu hij zag dat zij een redmiddel hadden, ging hij direct naar zijn heerseres toe. Zij was woedend en wilde de zusjes een hak zetten. De mooie zeeheks wilde de zusjes wel helpen, maar op voorwaarde dat zij noch hun zusje zich ooit noch aan de oppervlakte zouden laten zien. Ze moesten mensen vergeten en de bovenwaterwereld vermijden. Negeerden ze de waarschuwing van de heks, dan zouden ze allen in vissen veranderen. Toen het kleine zeemeerminnetje eindelijk weer terug was getoverd van schuimkopjes in een meermin, was ze buiten zichzelf van blijdschap. Ze was inmiddels op alle oceanen en zeeën geweest en had de kusten van alle continenten gezien. Ze vertelde honderduit aan haar zusjes over die wondere wereld. Maar hoewel ze blij was weer thuis te zijn onder de zeespiegel, was ze ook een beetje bedroefd. Als ze nooit meer naar boven mocht zou ze haar lieve prins nooit meer weerzien. De kleine zeemeermin probeerde zo goed en zo kwaad het kon weer te wennen aan het leven onder water, maar ze kon het leven erboven maar niet vergeten. OP een dag, toen ze buiten zeewier aan het plukken was, kwam de kwade zeeheks tevoorschijn. Het zeemeerminnetje schrok, maar de zeeheks wist haar tot bedaren te sussen. Met mooie woorden en loze beloftes wist de heks haar mee te lokken. Het meerminnetje dacht dat ze nu eindelik zou krijgen waar ze zo naar verlangde, de liefde van haar prins. Een jonge zeemeerman sloeg het geheel gade en volgde de heks en haar prooi. Een voor een wist hij de hulpjes van de heks weg te lokken, tot alleen zij nog over was. De zeemeerman was een jager en hij had dus een zeewiernet bij zich. Deze wierp hij behendig over de heks heen en nu was zij gevangen. Toen gebeurde er iets onverwachts. Toen de kleine zeemeermin hem in de ogen keek, fonkelden de hare. Ze was verliefd!
De gemene heks werd naar de diepste
diepten van de oceaan verbannen, waar ze niemand meer kwaad zou kunnen
doen. De kleine zeemeermin trouwde met haar dappere redder en ze voelde
nooit meer het verlangen om naar de bovenwaterwereld terug te gaan. |
| Het Niet-Wisselkind |
|
Precies in het midden van de aarde
stopte zijn val. Zoals jullie weten is het midden van de aarde erg heet,
want er zit lava in. Dit vond Repelsteeltje natuurlijk niet prettig en
hij wilde dan ook via hetzelfde gat als hij gekomen was weer naar boven
klimmen. Maar het gat was dicht, verdwenen! Na enig speurwerk stuitte
hij op een plek waarvan hij dacht dat daar het gat gezeten zou hebben.
Hij begon zijn weg naar buiten te klauwen. Langs fossielen en oude
beschavingen, water en aarde groef hij zich langzaam weer naar boven.
Hij was erg verontwaardigd dat de koningin hem zijn prijs had afgenomen.
Hoewel hij vond ‘afspraak is afspraak’, wilde hij haar ook een poets
bakken want, ‘voor wat hoort wat’. Gniffelend ging hij verder want wat
zou hij haar een mooie streek leveren. Ineens zag hij het allerkleinste
zonnestraaltje zich een weg door de grond banen om hem op het gezicht te
schijnen. “Ik ben er!” riep hij vreugdevol.
Met Repelsteeltje verging het niet zo
goed als hij zelf gedacht had. Hij probeerde het prinsesje op te voeden
als zijn eigen kind, zoals hij met alle andere kinderen gedaan had. Maar
telkens als hij haar in de ogen keek, vermurwde zijn hart en voelde hij
zich schuldig voor zijn daad. Hij was erg van zijn aangenomen dochter
gaan houden, maar op een dag kon hij het niet meer aan en bracht hij
haar terug naar haar moeder. De koningin knapte meteen op en de
koninklijke artsen hadden nog nooit zo’n snel herstel meegemaakt.
Repelsteeltje werd vergeven voor zijn daden, omdat hij de dochter
teruggebracht had en goed voor haar gezorgd had. Hij werd zelfs
aangesteld als haar peetoom! Vanaf die dag was Repelsteeltje een
gelukkig lid van de familie die hij al die jaren gekweld had. |
|
Sneeuwwitje en de zeven varkentjes |
|
Op een dag kwamen de zeven dwergen op bezoek en omdat zij Sneeuwwitje heel erg misten hadden ze hun beste kleding aangetrokken. Maar de kwaadaardige koningin, die natuurlijk gestraft was en in de kerker van het paleis opgesloten zat (als enige gevangene, want niemand wilde nog kwaad doen nu het land zo mooi was), was hiervan op de hoogte. Een van haar dienaren zwoer nog steeds trouw aan haar en vertelde haar alle nieuwtjes die hij hoorde. Erger nog, hij bracht haar in het geheim allerlei ingrediënten voor een wrede toverspreuk. Varkensharen, van het grootste en dikste varken uit het hele koninkrijk, een gram te licht en het toverdrankje was nutteloos. Modder, uit de diepste, smerigste poel die er bestond, een vuiltje te weinig en de toverdrank was onbruikbaar. Dauw dat bij het eerste kraaien van de haan van een blad van de Gifsumak gegoten moest worden, een kraai te laat en de toverdrank zou falen. Zij was van plan de zeven dwergen te betoveren en in varkens te veranderen. Omdat ze wist dat Sneeuwwitje altijd voor de dwergen zou blijven zorgen, maar varkens natuurlijk niet in een paleis kunnen wonen, wist ze dat dit Sneeuwwitjes hart zou breken. De boze dienaar had het brouwsel meegekregen en ’s avonds was hij de keuken ingeslopen. De hele hofhouding was in rep en roer, omdat ze de zeven dwergen, zoals iedereen wist belangrijke gasten, tevreden moesten stellen. Zo was het mogelijk dat hij het in de maaltijd van de zeven dwergen kon gooien. Toen deze een paar hapjes hadden genomen, veranderden ze plotsklaps in varkens, met kleren en al. Wat echter niemand wist was, dat Sneeuwwitje niet stilgezeten had. In het diepste geheim was zij een volleerde witte heks geworden. Op het moment dat de dwergen in varkens veranderden, wist zij wat voor kwade magie hierachter stak. Zij beval haar dienaren de meest bijzondere ingrediënten te halen voor een drankje dat de zeven dwergen weer normaal zou maken. Een dienaar moest een zonnestraal halen, gevangen op het moment dat de zon op zijn hoogst aan de hemel stond, een moment te laat en de spreuk zou zijn kracht verliezen. Een ander moest helemaal naar Oostenrijk om van de top van de hoogste berg Edelweiss te halen, een centimeter te laag en de spreuk zou niets uithalen. Weer een ander moest een traan, gehuild op een moment van zuiver geluk halen, een piepklein beetje woede of verdriet en de spreuk zou vruchteloos zijn. Met al deze ingrediënten en een hoop geduld werden de zeven dwergen weer normaal, maar heel soms komt er ineens een klein stukje van de betovering terug, bijvoorbeeld als ze erg ondeugend of onaardig zijn. En wat betreft de dienaar: Sneeuwwitje en haar man de koning besloten hem bij de koningin in de kerker te gooien voor zijn verraad. Zij was op haar beurt zo kwaad dat haar snode plannen in duigen waren gevallen, dat zij de dienaar met haar laatste tovermiddelen in een muis veranderde. Sindsdien heeft niemand hem ooit nog gezien en de koningin was niemand meer tot last.
En ze leefden nog ‘Happily Ever After?!’ |
|
Tinkerbell ontmoet Twinkeltom |
|
Nu zag ze een figuur te voorschijn komen. Maar,dat leek Peter wel! Hij had een brede grijns op zijn gezicht en een eigenwijs petje op zijn hoofd. Maar…wat was hij klein! “Peter, hoenkom jij nu zo klein en…waar heb je die vleugels vandaan?” vroeg ze. De figuur zei: “Peter? Mijn naam is Twinkeltom!” “Hoe kan dat nu?”, zei Tink, “Je lijkt precies op mijn vriend Peter Pan”. “Echt waar”, zei Twinkeltom gevleid, “Nou, dat is dan een hele eer, ik heb veel over hem gehoord.” Twinkeltom vertelde haar honderduit over zijn taken als vogelopzichter, het ‘onbekende’ deel van Nooitgedachtland en zijn volk, de pixies. Tinkerbell wilde van alles weten en toen ze klaar waren met hun verhalen vertellen, was de nacht reeds lang gevallen. Twinkeltom nodigde haar uit om de nacht bij hem thuis door te brengen, dat was een stuk comfortabeler dan een vogelnestje. Toen ze aankwamen in het Pixie dorp, voelde Tink zich alsof ze thuis kwam. Nu was het zo dat in het hele dorp het jaarlijkse oogstfeest, de Samhain, gehouden werd. Tinkerbell werd van hart uitgenodigd om deel te nemen aan de festiviteiten. Er werd gedronken en gelachen, er waren vreugdevuren en volksdansen en het feest lek eindeloos door te gaan. Toen de maan reeds aan het zakken was en de ochtend zijn intrede deed, nam Twinkeltom Tinkerbell mee naar zijn favoriete plekje. Een oeroude, wijze eik. Deze boom was zo hoog, dat zelfs de vogels de top niet konden bereiken. Zijn takken reikten zo ver opzij, dat zelfs een haas niet binnen een dag van de ene kant naar de andere kon rennen. Zijn wortels reikten zo diep, dat aan de andere kant van Nooitgedachtland de vissen zich ere schuil tussen hielden. En zijn wijsheid was groter dan dit alles bij elkaar. Het kleine volkje kwam hem dagelijks om hulp vragen enb altijd hielp hij ze met het vinden van de antwoorden. Tink en Twink vlogen naar een hoge tak en gingen erop zitten. Twinkeltom nam Tinkerbells hand in de zijne en zo zaten ze een tijdje, stilzwijgend, naast elkaar, te genieten van het uitzicht. Op een gegeven moment raapte Twink al zijn moed bij elkaar en hij zei: “uhm, eh…Tink? Ik wil je wat vertellen. Ik…eh…vind je heel erg leuk”. Tink begon te blozen en zei dat ze hem ook leuk vond. Plotseling sprak de oude eik “Ah, jonge liefde. Hoe vaak ik dat heb zien opbloeien, de keren zijn ontelbaar. Maar het blijft zo mooi”. Twink vroeg de eik of hij nog wijze woorden voor hun had. De eik antwoordde dat hij alleen vragen beantwoordde, en niet in het wilde weg advies gaf. Twink vroeg of hij iets in zijn bast mocht kerven. De oude eik zei dat hij zijn gang kon gaan, omdat zijn bast al zo oud was, dat hij het toch niet meer voelde. Twinkeltom kerfde ijverig. Tinkerbell was reuze benieuwd wat hij deed, maar hij wilde dat het een verrassing was. Twink love Tink Tinkerbell vloog Twinkeltom om zijn nek toen ze dit las. “Blijf voor altijd bij me”, zei ze. En dat deed Twink. Hij ging met Tink mee terug, want hij had altijd al de avonturen van Peter Pan mee willen maken. En ze leefden nog ‘Happily Ever After?!’ |
|
De helderste ster |
|
Het was een mooie zomerse avond en zijzelf was nog erg klein. Ze lag in een ledikant en ze had die dag net leren lopen. Het was bedtijd, maar het weer was zo lekker dat ze niet wilde slapen. Ze draaide zich om en naast haar zat haar oma. Elke avond zat haar lieve oma naast haar bed om haar een verhaaltje voor te lezen. En als ze daarmee klaar was, zong ze een prachtig slaapliedje, hoewel het kleine meisje de woorden niet begreep de woorden niet begreep. Ze hoorde ze wel heel duidelijk…”Twinkle, twinkle little star, how I wonder where you are…”. Ze voelde zich heel rustig en luisterde heel nauw naar het warme geluid van haar oma’s stem. Ze kon het zo duidelijk horen, dat het wel leek of oma naast haar aan het zingen was. De herinnering vervaagde weer, maar het kleine meisje wilde nog niet alleen zijn. Ze dacht weer terug aan vroeger. Ze zag een koude winteravond voor zich. Haar familie zat rond het haardvuur en zij lag dicht tegen oma aan gekropen in de schommelstoel. Oma rook dan altijd zo vreselijk lekker naar koekjes, want die bakte ze altijd zelf voor al haar kleinkinderen. De gedachte aan die dag was zo helder dat ze oma’s koekjes wel kon ruiken. Langzaam verdween het mooie beeld in haar gedachten. Maar het kleine meisje werd weer erg verdrietig van de gedachte haar oma te moeten missen tussen al die sterren om haar heen. Ze dacht nog even terug en ze zag voor zich hoe oma haar meenam naar het park om eendjes te voeren. In het park was het heel druk en oma zei dat ze haar hand goed vast moest houden, anders kon ze haar wel eens kwijt raken. Het kleine meisje voelde weer de zachte hand van haat grootmoeder in de hare en ze voelde zich zo gelukkig.
Toen ze haar oogjes open deed was haar
oma naast haar. Met elke herinnering aan haar was ze helderder gaan
stralen, tot ze de helderste ster aan de hemel was. Haar oma was ook
naar haar op zoek geweest en zo werd ze naar haar toe geleid. En als je
nu naar boven kijkt en je ziet de helderste ster aan de hemel stralen,
dan is dat het kleine meisje dat straalt van geluk. |
All text copyright of Pink Hazard.